Financieel beleid
Op onderstaande pagina vindt u de informatie uit het jaarverslag. Wilt u meer lezen of de bijbehorende afbeeldingen of grafieken bekijken, dan kunt u de bijlage downloaden.
2.1 Gevoerd financieel beleid
Het bevoegd gezag stelt zich ten doel om de beschikbare financiële middelen verantwoord in te zetten voor het onderwijs. Zij hanteert hiertoe een (meerjaren)begroting die vanuit een inventarisatie en toerekening op schoolniveau wordt gepresenteerd als algehele verantwoordingsstuk van de vereniging. Deze begroting is taakstellend. Het bovenschools management draagt formeel de eindverantwoording voor deze taakstelling. Maandelijks wordt verantwoording afgelegd aan het bevoegd gezag over de financiële stand van zaken waarbij zowel de exploitatie als de voortschrijdende balansgegevens in zowel absolute cijfers als kengetallen worden gepresenteerd. Een analyse van de huidige financiële situatie leert dat er sprake is van een, naar het oordeel van het bevoegd gezag, solide financiële basis voor de toekomst van de vereniging. In het verleden opgebouwde reserves zijn ondergebracht in algemene reserves en specifieke bestemmingsreserves.
Het financieel beleid van de vereniging wordt vorm gegeven door een planning en control cyclus. Hiertoe zijn binnen de vereniging afspraken gemaakt over de procedures en verantwoordelijkheden die de realisatie van doelstellingen en de continuïteit van de vereniging moeten borgen. De cyclus kent de volgende onderdelen:
- de jaarbegroting
- de meerjarenbegroting
- de budgettering
- monitoring en rapportage
- het financieel jaarverslag
De vereniging beschikt over een passend vermogen. Hoofdbeleidsdoelstelling ter zake van dit vermogen is het afdekken van de risico’s die de organisatie draagt. De opbrengsten van het vermogen (rente) gebruikt het bevoegd gezag als extra jaarlijkse baten die ten goede komen aan de exploitatie van de organisatie.
2.2 Analyse financieel resultaat
In dit hoofdstuk wordt het resultaat op hoofdlijnen vergeleken met de begroting 2010 en de exploitatie 2009. De begroting 2011 is ter vergelijking opgenomen (zie bijlage).
2.2.1 Algemene financiële beschouwing
De samenstelling van de jaarrekening 2010 heeft plaatsgevonden conform de richtlijnen die zijn uitgevaardigd door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en die mede zijn gebaseerd op bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek. Op sommige punten wijken de OC&W richtlijnen af of zijn er aanvullende richtlijnen vanwege de specifieke eisen die de verslaggeving van onderwijsinstellingen vergt.
Het jaarverslag kent een verplichte indeling op voorschrift van OC&W.
2.2.2 Balans
Het balanstotaal is t.o.v. 2009 met € 35.000 afgenomen. De waarde van de materiële vaste activa (aanschaf inventaris en apparatuur, alsmede onderwijsleerpakket na aftrek afschrijvingen) is met € 82.000 toegenomen. De investeringen bedroegen € 310.000 en waren in overeenstemming met de investeringsbegroting. De afschrijving voor 2010 kwam uit op een bedrag € 228.000. De verwachting is dat de afschrijvingslasten in de komende jaren verder op zullen lopen tot een bedrag van € 300.000.
In 2010 is onder de financiële vaste activa € 1, 5 miljoen aan effecten opgevoerd. Het betreft hier obligaties die zijn gekocht met als doel om enerzijds het renteverlies, dat is ontstaan door de economische recessie, te compenseren en anderzijds om te komen tot een risicospreiding van de financiële buffers. De transactie heeft plaatsgevonden binnen de kaders die zijn vastgelegd in de regeling “beleggen en belenen voor gesubsidieerde instellingen”.
De vorderingen zijn met € 103.000 afgenomen en de schulden namen met € 80.000 toe. Het saldo van de voorzieningen is met € 10.000 toegenomen. De liquide middelen zijn tengevolge van het bovenstaande met € 1,47 miljoen afgenomen. Het geheel vertaalt zich in een afname van het eigen vermogen met ruim € 108.000 zijnde het nadelig resultaat 2010.
Per 1 januari 2010 heeft, tengevolge van een stelselwijziging, een herschikking van de balans plaatsgevonden waarbij de voorziening uitgesteld BAPO van € 299.917 is omgezet naar een bestemmingsreserve.
2.2.3 Weerstandsvermogen en kapitalisatiefactor
Door bestuur en directie wordt jaarlijks de ontwikkeling van de algemene reserve en fondsen kritisch bezien en wordt nagegaan of en in welke mate het vermogen op peil is om tegenvallers op te vangen. Ook wordt gelet op de eigen vermogenspositie in relatie met de vastgelegde activa en aangegane verplichtingen.
Het beleid van het bestuur is erop gericht om de vermogenspositie in balans te brengen met de noodzaak om tegenvallers en risico’s te kunnen opvangen en daarmee de toekomst van de instelling blijvend te garanderen. Tevens wordt het noodzakelijk geacht dat de investeringen in gebouwen, inventaris en overige activa worden gefinancierd met eigen vermogen om de jaarlijkse exploitatie niet of zo gering mogelijk te belasten met rente en aflossingskosten.
Volgens de financiële cijfers en bijbehorende kengetallen is het weerstandsvermogen van de instelling (zonder rekening te houden met de MVA) per ultimo 2010 32,5% (in 2009 33,7%). Gelet op het door bestuur en directie geformuleerd beleid is per ultimo 2010 een eigen vermogen noodzakelijk ter grootte van ca. € 650.000 om naast de afschrijvingsruimte die binnen de exploitatie aanwezig is, de investeringen in inventaris te dekken. Er dient tevens rekening te worden met het feit dat de vereniging een eenmalige eigen bijdrage heeft toegezegd tbv de nieuwbouw in Onstwedde van € 350.000. Vervolgens is het noodzakelijk om een weerstandsvermogen in stand te houden ten behoeve van de risico’s die verband houden met personele verplichtingen, fluctuaties in leerlingenaantallen, gewenste (voor)investeringen in gebouwen en inventaris, organisatorische zaken en in de kwaliteit van het onderwijs in brede zin.
Middels een risico-inventarisatie is vast komen te staan dat de vereniging nog steeds een laag risicoprofiel kent. Dit betreft een (gemiddeld) percentage van rond de 12%. Rekening houdende met het bovenstaande houdt dit in dat een bedrag van ca. € 2,6 miljoen per ultimo 2010 noodzakelijk wordt geacht als buffer om de risico’s en noodzakelijke investeringen op te kunnen opvangen. Gelet op een eigen vermogen van € 4,1 miljoen is er dus nog steeds sprake van een veilige marge. Echter vanwege te verwachten terugloop van het aantal leerlingen en de exploitatietekorten die mede daardoor ontstaan is het de vraag in hoeverre deze marge toereikend is om alle financiële tegenvallers op te kunnen vangen.
De kapitalisatiefactor, een ratio die is ontstaan vanuit de opdracht die de commissie Don heeft gekregen van het ministerie van OC&W om onderzoek te doen naar de financieringsstructuren en financiële risico’s van onderwijsinstellingen, dient feitelijk ter vervanging van het kengetal weerstandsvermogen en heeft als doel om te signaleren of een onderwijsinstelling zijn kapitaal al dan niet efficiënt benut. De signaleringsgrens voor onze vereniging bedraagt 35%. Een percentage boven deze grens duidt op een inefficiënte benutting van kapitaal. Er is in dat geval ruimte om meer vermogen in te zetten t.b.v. de normale bedrijfsvoering. De kapitalisatiefactor voor onze vereniging (ter vergelijking zijn ook de ratio’s voor de jaren 2009 en 2010 bepaald) bedraagt:
Voor 2008 55%,
Voor 2009 52%
Voor 2010 51%
Er is dus sprake van een overschrijding van de signaleringsgrens. Absoluut gezien omvat dit een bedrag van ruim € 1 miljoen. Ook hier geldt dat in het kader van de te verwachten exploitatietekorten in de komende jaren alsmede de eigen bijdrage t.b.v. de nieuwbouw in Onstwedde de verwachting bestaat dat dit overschot binnen een aantal jaren drastisch naar beneden zal zijn bijgesteld.
2.2.4 Materiële vaste activa
De gebouwen, waarvan het juridisch eigendom bij het bevoegd gezag berust en het economisch eigendom sinds 1 januari 1997 bij het gemeentebestuur, zijn niet opgenomen in de balans en zijn om niet in bruikleen. Bouwkundige aanpassingen vallen onder de verantwoording van de gemeente. Jaarlijks wordt door middel van het Integraal Huisvestingsplan van de gemeente aangegeven welke bouwkundige zaken door de gemeente voor bekostiging in aanmerking komen.
In het verslagjaar werd voor ca. € 310.000 (2009 € 642.000) aan nieuw inventaris geactiveerd. De afschrijvingssystematiek is ingevoerd met ingang van het verslagjaar 2006. Er wordt afgeschreven over duurzame activa voor het eerst in het verslagjaar volgend op het jaar van aanschaf. Er wordt niet afgeschreven over de per 1.1.2006 aanwezige inventaris. Hierdoor ontstaat een jaarlijks toenemende afschrijvingslast. De totale afschrijvingslast voor inventaris en apparatuur bedroeg in 2010 € 228.467 (2009 € 147.391). Inventaris met een aanschafwaarde tot een bedrag van € 500 worden direct ten laste van de exploitatierekening geboekt. De totale aanschafwaarde van de geactiveerde inventaris bedraagt ultimo 2010 ruim € 2,2 miljoen. De boekwaarde bedraagt per 31 december 2010 ruim € 1,6 miljoen.
De gehanteerde afschrijvingstermijnen zijn gebaseerd op algemeen aanvaarde bedrijfseconomische uitgangspunten.
2.2.4.1 Financiële vaste activa
In 2010 is voor een bedrag van € 1.482.000 aan obligaties gekocht. Door de verlaging van de spaarrentes waren de rente-inkomsten van de vereniging aanzienlijk gedaald. Ook de vooruitzichten waren niet gunstig. Een obligatieportefeuille die voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de “Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek” met een defensief doelrisicoprofiel was in deze een alternatief die een hoger rendement garandeerde en tevens het debiteurenrisico deed verminderen. Het rendement op de obligatieportefeuille bedroeg in 2010 3,4% (op de spaartegoeden 2,2%).
2.2.5 Vorderingen
De vorderingen bestaan uit een tweetal grote posten. Enerzijds nog te ontvangen bijdragen van de gemeente Stadskanaal tot een bedrag van € 245.000 inzake voorgefinancierde bouwkundige investeringen in het kader van het gemeentelijk huisvestingsplan. Deze vordering zal deels in 2011 worden afgewikkeld en voor een ander deel naar verwachting in de daaropvolgende jaren. Anderzijds is er sprake van een vordering op OC&W die verband houdt met het betaalritme van de personele bekostiging. Deze bedraagt 7% van de totale personele lumpsumvergoeding voor het cursusjaar 2010/2011. Dit verschil wordt in de eerste 7 maanden van 2011 betaalbaar gesteld.
2.2.6 Liquide middelen
De liquide middelen zijn met € 1.474.000 afgenomen tot een bedrag van € 2,2 miljoen. Het kasstroomoverzicht geeft een nader inzicht in de mutaties. Voor een bedrag van € 1.484.000 zijn obligaties aangeschaft (zie toelichting onder financiële vaste activa). Hierdoor heeft een verschuiving plaatsgevonden binnen de balans naar het onderdeel “financiële vaste activa”.
De liquide middelen zijn uitgezet op normaal rentende rekeningen. Het gemiddeld rendement over de uitstaande middelen bedroeg 2,2% in 2010 (was 4,4% in 2009).
2.2.7 Eigen vermogen
De algemene reserve publiek van VPCO Zuidoost Groningen bedraagt op 31 december 2010, na onttrekking van het resultaat 2010, iets minder dan € 1,7 miljoen. De onttrekking is afgeleid van het “voorstel bestemming resultaat 2010” en bedraagt € 84.280 en betreft feitelijk het resultaat op de normale bedrijfsvoering. De private bestemmingsreserves zijn € 1,1 miljoen. De bestemmingsreserves publiek bedragen ruim € 1,3 miljoen en worden gevormd door onder andere de tegoeden van de gemeentelijke overschrijdingsuitkeringen en het saldo van het BPA budget. De bestemmingsreserve publiek is met € 300.00 toegenomen doordat de voorziening uitgesteld BAPO tengevolge van een wijziging in de regelgeving, is overgeheveld naar het eigen vermogen in de vorm van een bestemmingsreserve. De vergelijkende cijfers 2009 zijn ook overeenkomstig aangepast. Vanuit de resultaat verdeling is een bedrag van € 12.462 toegevoegd. Dit betreft het saldo van de gemeentelijke verschrijdingsuitkeringen die direct ten gunste komen van deze reserve .
Bij beoordeling in 2010 door bestuur en directie van het vrije vermogen van de vereniging in relatie met het noodzakelijke weerstandsvermogen en de risico’s die de scholen lopen, is geconstateerd dat de opgebouwde reserves in zijn algemeenheid voldoende zijn om deze risico’s te kunnen opvangen en dat een deel van de opgebouwde reserves beschikbaar zijn voor nieuwe investeringen (zie tevens het punt 2.2.3 Weerstandsvermogen).
2.2.8 Voorzieningen
De voorziening “Uitgesteld BAPO” is overgeheveld naar het eigen vermogen (zie toelichting 2.2.7). In 2010 is conform begroting een bedrag van € 19.000 gedoteerd aan de voorzieningen jubilea. De onttrekking was € 17.593 hetgeen resulteerde in een bedrag per ultimo 2010 van € 118.000. De hoogte van de voorziening wordt verondersteld als zijnde toereikend voor de toekomstige verplichtingen.
De voorziening onderhoud bedroeg per ultimo 2010 € 480.000. Middels onderhoudsinventarisatie (vastgelegd in een onderhoudsplan) is bepaald dat in 2010 een bedrag van € 168.000 als dotatie aan de voorziening toegevoegd diende te worden. In het kader van voorgenomen bezuinigingen is de dotatie aan de voorziening in relatie tot de toekomstige verplichtingen met € 40.000 verlaagd. De onttrekkingen tbv groot onderhoud en bouwkundige aanpassingen waren € 120.430. Hierin zit ook en bedrag opgesloten van ruim € 60.000 inzake aanpassing en achterstallig onderhoud voor het 10 en 11e lokaal van de Oranje Nassauschool die niet voor vergoeding in aanmerking kwamen.
2.2.9 Exploitatie VPCO Zuidoost Groningen
Het negatief exploitatieresultaat 2010 bedraagt € 108.318. In vergelijking met de begroting 2010 is dit een positieve afwijking van € 7.000. Het resultaat 2010 viel € 152.000 lager uit dan het resultaat 2009.
Het voordelig exploitatie resultaat 2010 wordt onttrokken aan zowel de algemene reserves als de bestemmingsreserves. Een nadere toelichting wordt gegeven bij het onderdeel 2.2.7 en de staat B.2 “Voorstel bestemming van het exploitatie” in de jaarrekening.
2.2.10 Baten
Rijksbijdragen
De genormeerde rijksvergoeding voor het kalenderjaar 2010 bedraagt € 11.727.000. De daling van de rijksbijdragen in 2010 met € 27.000 (0,3%) ten opzichte van de begroting wordt enerzijds bepaald door een lagere bijdrage inzake impulsgebieden, een per saldo iets hogere lumpsum vergoeding, een hogere vergoeding van LGF bijdragen en groeiformatie en anderzijds een nadeel ivm de zogenaamde kasschuif waarbij een deel van de PAM subsidie (€ 100.000) die voor 2010 bestemd was reeds in 2009 betaalbaar is gesteld en ook als zodanig in 2009 is verantwoord.
De overige overheidsbijdragen zijn € 173.000 hoger uitgevallen dan was begroot. Van de gemeente worden bijdragen verkregen voor specifiek door de gemeente bekostigde projecten waaronder tuinonderhoud, begeleiding, cursussen alsmede ID banen. Ter dekking van de loonkosten van ID-ers wordt jaarlijks (tot 2013) een loonkostensubsidie van OC&W verkregen en een eenmalige afkoopsom van de gemeente die is afgestemd op de nog lopende verplichtingen van de bij de vereniging in dienst zijnde ID-ers. Het verschil 2010 wordt mede bepaald door een bedrag van € 53.000 zijnde de afrekening van de overschrijdingsregeling 2001-2005 van de gemeente Vlagtwedde. Dit bedrag is middels resultaatbestemming toegerekend aan de bestemmingsreserve “overschrijdingsgelden”. Daarnaast heeft in 2010 een afrekening plaatsgevonden van zowel de gemeente Vlagtwedde als de gemeente Stadskanaal van de zorggelden, schoolbegeleiding en weerbaarheid en zijn gelden ontvangen vanuit het project Agenda voor de Veenkoloniën. Tegenover alle genoemde geldstromen staan in nagenoeg dezelfde verhouding uitgaven.
Overige baten
De overige baten bedragen in totaliteit € 468.000 en bestaan o.a. uit de opbrengst betreffende verhuur van onroerende zaken, opbrengsten van detachering personeel o.a. (detachering personeel aan het REC) en bijdragen die worden verkregen vanuit het samenwerkingsverband (€ 160.000). De overige baten vallen in 2010 € 151.000 hoger uit dan was begroot. Dit verschil is ontstaan door een eenmalige mutatie in 2010 waarbij het aandeel van de vereniging in Picto ad € 82.000 als vordering op de balans is verantwoord. De bijdrage vanuit het samenwerkingsverband viel € 48.000 gunstiger uit en de detacheringsopbrengsten € 40.000.
2.2.11 Lasten
Personele lasten
De totale personele lasten zijn € 30.000 (0,3%) lager uitgevallen dan was begroot. Enerzijds is er sprake van hogere lasten in verband met o.a. hogere werkgeverspremies (ABP 1%) anderzijds is per 1 augustus 2010 een eerste bezuinigingsronde doorgevoerd waarbij een bedrag van ruim € 62.000 is bespaard op de loonkosten. Ook de inzet van payrollers is in 2010 verlaagd met € 150.000 ten opzichte van de begroting.
Afschrijvingen
Door het niet hanteren van de zogenaamde eerste waardering, waardoor op niet alle binnen de vereniging aanwezige activa per 1.1.2006 is afgeschreven, maar uitsluitend op de activa die na 1.1.2006 zijn aangeschaft is er sprake van een toenemende jaarlijkse afschrijvingslast tot het moment dat de volledige vervangingscyclus v.w.b. de materiële activa (10 tot 15 jaar) rond is. In vergelijking met het jaar 2009 zijn de afschrijvingslasten met ruim € 81.000 toegenomen tot een bedrag van € 228.000. Dit bedrag zal in de komende jaren naar verwachting oplopen naar € 300.000.
Huisvestingslasten
De huisvestingslasten zijn € 104.000 hoger uitgevallen dan was begroot. De gebruikersvergoeding van de Meidoorn aan NOVO bepaalt grotendeels de overschrijding met € 53.000 van het onderdeel huur. Ook de bijdrage van de Meidoorn in de inrichting en aankleding van het nieuwbouwproject is voor een deel, € 19.000, ten laste van de huisvestingslasten geboekt. De dotatie aan de onderhoudsvoorziening is met € 40.000 verlaagd (zie toelichting voorzieningen). Daarentegen zijn de kosten inrichting buitenterrein de Zaaier ad € 60.000 ten laste van de exploitatie geboekt. Dit bedrag is door het voormalig bestuur van de Zaaier voor dit doel beschikbaar gesteld en is in 2010 financieel afgewikkeld. Bij de overige onderdelen was er sprake van enige verschuivingen die per saldo budgettair neutraal waren.
Overige instellingslasten
De overige instellingslasten zijn t.o.v. de begroting met ruim 20% toegenomen tot € 1,14 miljoen. In relatie tot 2009 was er sprake van een lichte daling.
Administratie en beheerslasten
Dit onderdeel kende een toename t.o.v. de begroting van € 48.000 oftewel 14%. Kosten voor telecommunicatie, abonnementen en contributies en repro waren de belangrijkste veroorzakers.
Inventaris, apparatuur en leermiddelen
De post ICT viel € 55.000 hoger uit dan was begroot, het onderwijsleerpakket € 33.000 en de schoolprojecten € 93.000 (o.a. agenda voor de veekoloniën) en waren daarmee de belangrijkste veroorzakers van de overschrijding van het onderdeel inventaris, apparatuur en leermiddelen die ten opzichte van de begroting met € 161.000 waren gestegen. De uitgaven voor de schoolprojecten worden nagenoeg volledig gecompenseerd door extra subsidie ontvangsten (zie onderdeel overige overheidsbijdragen).
Ook de hogere kosten van de onderwijsbegeleidingsdienst maken deel uit van deze overschrijding. Middels hogere gemeentelijke bijdragen wordt dit echter grotendeels gecompenseerd.
2.2.12 Rentebaten/rentelasten
De werkelijk ontvangen rente en dividend viel in 2010 € 3.000 lager uit dan was begroot. In vergelijking tot 2009 was er sprake van een afname met € 63.000. Het omzetten van een deel (40%) van de liquide middelen in een obligatieportefeuille heeft uiteindelijk nog geresulteerd in een hogere vergoeding. De renteopbrengsten op normale spaartegoeden zijn mede tengevolge van de economische recessie gedaald naar een zeer laag niveau. Op kortlopende tegoeden was het percentage slechts iets boven nul en op tegoeden die voor een middellange termijn werden weggezet bedroeg het percentage iets meer dan 2%. De effecten brachten, ondanks een ingecalculeerd koersverlies, 3,4% op.
2.2.13 Tenslotte
Door de meerjarige plannen voor personeel, onderhoud en vervanging van inventa¬ris nauwgezet te bepalen en om te zetten naar een meerjarenbegroting kan inzage worden verkregen in hoeverre de beschikbare middelen afgezet kunnen worden tegen de verplichtingen van de vereniging. Tevens wordt in dit kader rekening gehouden met de wensen die binnen de organisatie leven. Het is als zodanig ook van bijzonder belang om tijdig in te spelen op de onderwijskundige ontwikkelingen en (eventuele) wijzigingen in leerlingenstromen. Mede gelet op bovenstaande zaken wordt planmatig gewerkt aan voorzieningen voor het onderwijs en wordt gewerkt aan plannen op het terrein van personeel, gebouwen en ICT. Voor de verdere onderwijskundige en organisatorische aanpassing zullen voor de school binnen de jaarlijks beschikbare middelen en de opgebouwde reserves middelen worden vrijgemaakt om de kwaliteit en de omvang van het onderwijsaanbod te kunnen handhaven en waar nodig te verbeteren.
De financiële positie van de vereniging is goed. Door de gereserveerde middelen en voorzieningen is een goede buffer opgebouwd. De financiële kengetallen, opgenomen als bijlage bij deze jaarrekening, bevestigen dat beeld. Ondanks teruglopende inkomsten vanuit OC&W, leerlingaantallen die afnemen en verdergaande investeringen zien wij de financiële toekomst toch nog met vertrouwen tegemoet. Het is echter van groot belang dat tijdig op ontwikkelingen wordt geanticipeerd.
Aan het bestuur wordt voorgesteld het voordelig exploitatieresultaat te verrekenen met het bedrag voor de algemene reserve en bestemmingsreserves een en ander overeenkomstig het voorstel bestemming van het exploitatieresultaat conform de bijlage resultaatbestemming.
2.3 Treasury- en financieringsbeleid
De uitgangspunten van het voorschrift beleggen en belenen is vertaald in een treasurystatuut. Het afgelopen jaar is binnen de kaders van dit statuut gehandeld.
Per ultimo 2010 stonden de tegoeden van de vereniging, die voor langere tijd niet aangewend behoefden te worden voor de directe bedrijfsvoering voor 60%, op depositorekeningen of andere spaarvormen. Voor het ander deel is begin 2010 een obligatieportefeuille aangekocht met een dakpanconstructie waarbij het debiteurenrisico tot een minimum wordt beperkt. De regeling “beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek” heeft ook hierbij als basis gediend. Alle treasuryzaken zijn in het verslagjaar met regelmaat op het bestuursoverleg besproken.
Het bestuur beschikt over een meerjareninvesteringsplan. Investeringen zullen worden gefinancierd met eigen middelen. Er is voor de komende jaren geen behoefte aan het aantrekken van externe financiering.
2.4 Financiële kengetallen
In onderstaande tabel (zie bijlage) zijn de belangrijkste financiële kengetallen weergegeven. Alle kengetallen voldoen aan de minimumnorm, die door het bestuur daaraan zijn gesteld.
2.4.1 Kapitalisatiefactor en weerstandsvermogen op basis van grondslagen OC&W
De kapitalisatiefactor, het verhoudingsgetal tussen balanstotaal en totale baten, bedraagt per ultimo 2010 51% en ligt daarmee nog ruim boven de signaleringsgrens van 35%.
Als buffer voor onvoorziene risico’s is een weerstandvermogen opgebouwd van 32%. Bij de berekening van dit kengetal is het totale eigen vermogen, zonder onderscheid naar bestemmingsreserves en private reserves, afgezet tegen de totale exploitatiebaten. Het bevoegd gezag heeft bepaald dat de waarde van het kengetal weerstandvermogen op basis van een risico-inventarisatie minimaal 12% moet bedragen. Voor een nadere toelichting op kapitalisatiefactor en weerstandsvermogen wordt verwezen naar 2.2.3.
2.4.2 Solvabiliteit
De solvabiliteit geeft de verhouding aan tussen het "eigen vermogen" en het totale vermogen. Het geeft aan in hoeverre de vereniging in staat is om te voldoen aan haar financiële verplichtingen. De waarde van dit kengetal is ultimo 2010 berekend op 63%. Dit is ruim hoger dan het vastgelegde minimum van 50%.
2.4.3 Liquiditeit
Liquiditeit geeft aan in hoeverre het bestuur op korte termijn aan haar verplichtingen, zoals kortlopende schulden, maar ook betalingen salarissen en bekostiging investeringen, kan voldoen. De liquiditeit over de jaren 2010 en 2009 bedraagt respectievelijk 1,9 en 2,9. Het verschil tussen beide jaren wordt veroorzaakt door de verschuiving van een deel van de liquide middelen (obligaties) naar de zgn financiële vaste activa. Het huidige percentage ligt nog ruim boven het niveau van de standaardnorm van 1. Met betrekking tot het treasurybeheer is bepaald dat op basis van renteafspraken met de bank een hoger kengetal voor de actuele bedrijfsvoering geen probleem is.
2.4.4 Rentabiliteit
De rentabiliteit wordt bepaald door het “resultaat uit gewone bedrijfsvoering” te delen door het totaal aan baten. In non-profit organisaties wordt de rentabiliteit ook wel het begrotingsoverschot genoemd (of het begrotingstekort bij een negatief exploitatieresultaat). De norm is vastgesteld op 0%. Het bestuur streeft naar een volledig evenwicht tussen de jaarlijkse baten en lasten. Voor de begroting 2010 heeft het bestuur echter ingestemd met een tekort. De rentabiliteit in 2010 bedroeg -0,9%. Dit is enigszins nog gunstiger dan de begrote -1 %.
Contact
VPCO Zuidoost Groningen
Oosterstraat 24
9502 ED Stadskanaal
t: 0599-612612
info@vpco-zog.nl
